Bijbelse Prutsers.

Vandaag ga ik in mijn weekopening het hebben over bijbelse prutsers. Ik volg een podcast over de bijbel. Ik zou zeggen, zeker de moeite waard om eens te luisteren. Je kunt hem vinden op: https://www.nporadio5.nl/podcasts/dit-is-de-bijbel

Eerst gaan we een stuk lezen uit de bijbel, Galaten 2 vers 1 tot en met 14, waarin Paulus schrijft:

  1. Daarna ging ik, na verloop van veertien jaar, weer naar Jeruzalem, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee.
  2. En ik ging op grond van een openbaring, en ik legde hun het Evangelie voor dat ik verkondig onder de heidenen; en afzonderlijk aan hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.
  3. Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek was.
  4. En dat terwille van de binnengedrongen valse broeders, die waren binnengeslopen om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespioneren, om ons tot slaven te maken.
  5. Voor hen zijn wij ook geen moment in onderdanigheid opzij gegaan, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou blijven.
  6. Maar wat betreft hen die geacht werden iets te zijn – wat zij voorheen waren, maakt voor mij geen verschil; God ziet de persoon van de mens niet aan – zij dus die in aanzien waren, hebben mij verder niets opgelegd.
  7. Maar integendeel, zij zagen dat aan mij het Evangelie onder de onbesnedenen toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat onder de besnedenen.
  8. (Want Hij Die door Petrus werkte met het oog op het apostelschap onder de besnedenen, werkte ook door mij met het oog op de heidenen.)
  9. En toen Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, de mij gegeven genade erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wíj naar de heidenen en zíj naar de besnedenen zouden gaan.
  10. Alleen moesten wij wel aan de armen denken; en ik heb mij ook beijverd juist dit te doen.
  11. Maar toen Petrus naar Antiochië gekomen was, ging ik openlijk tegen hem in, omdat hij te veroordelen was.
  12. Want voordat er enkelen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij samen met de heidenen; maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor hen die van de besnijdenis waren.
  13. En ook de andere Joden huichelden met hem mee, zodat zelfs Barnabas zich door hun huichelarij liet meeslepen.
  14. Maar toen ik zag dat zij niet juist wandelden, overeenkomstig de waarheid van het Evangelie, zei ik tegen Petrus in het bijzijn van allen: Als u die een Jood bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?

De bijbel is een boek, of nou ja, een verzameling boeken, die voor iedereen leesbaar is. Maar mocht je denken dat je het allemaal wel begrijpt, bedenk dan eens of je het wel echt helemaal snapt. Bijna altijd is er nog wel een diepere laag te vinden. Of zoals Maarten Luther zei: de bijbel wordt pas echt interessant, als hij je tegenstander wordt. Daarmee bedoelde hij, als een tekst gaat schuren, of iets tegen je zegt dat je niet verwachte, dan zou het kunnen dat je iets gaat horen dat je nog niet wist. Dan zou het kunnen dat je de stem van God hoort. Mocht je graag alles willen begrijpen, en gerust gesteld worden, dan zou ik adviseren om niet de bijbel te gaan lezen maar de Donald Duck. Wil je uit je cocon getrokken worden begin dan eens aan de bijbel.

Waarom vallen zoveel bijbelse helden vroeg of laat van hun voetstuk? Of het nou Abraham, Mozes, koning David of Petrus is. Allemaal gaan ze vroeg of laat wel een keer de mist in. Dat is opvallend, want je zou verwachten dat een geloofsboek de eigen helden toch een stuk positiever zou neerzetten. Maar dat gebeurt dus niet, wat wil ons dat zeggen?

De bijbel staat vol met mensen die wij niet willen zijn: Mozes die in een opwelling iemand doodslaat, David die een #metoo schandaal begaat, Petrus die op het moment suprême Jezus verloochent. Het probleem is: het staat vol met mensen die we wel zijn. Dat er echte mensen in de bijbel staan geeft een stuk echtheid mee aan de verhalen in de bijbel.

Van de oud oosterse geschiedschrijving geldt dat deze tamelijk hagiografisch is. Dat betekend dat de persoon die beschreven werd, als heilige beschreven werd. Ze deden niets fout, en boekten enkel succes. Neem bijvoorbeeld de Assyrische koningen. In de kronieken van Assyrië worden de koningen beschreven als goden, die niets fout doen. Deze koningen leefden ten tijde van b.v. koning David. Dit zou je vandaag de dag doofpot literatuur noemen. Alles wat niet goed ging, in de doofpot, en daar een dikke laag propaganda over heen.

Als je de kronieken in de bijbel leest, en bijvoorbeeld de boeken van Samuël, dan zijn dat echte mensen. Dat is de ene kant, het geeft een soort realiteit. Maar het geeft ook een genadige gloed. Het zijn mensen met wie God verder gaat. Het zijn de mensen met wie God de geschiedenis schrijft. Het zijn bepaald geen perfecte mensen. Maar mensen zoals jij en ik. Mensen die in al hun stunteligheid, en morele onvolkomenheid, wel de geschiedenis van God verder helpen. De fouten die ze maken worden niet verbloemd, het wordt ook veroordeeld. En vaak worden ze er voor aangepakt en gestraft, maar daarna gaat God wél met ze verder.

Opvallend: hoeveel weten we nog van de “perfecte” farao’s en koningen? Bijna allemaal zijn ze anoniem. De imperfecte mensen uit de bijbel: daar kennen we nog vele namen van.

Abraham, die door Joden, moslims en christenen wordt gezien als hun stamvader, was bepaald geen volmaakt mens. Een van de eerste daden die beschreven zijn van Abraham is als hij op de vlucht is geslagen naar Egypte. Bij aankomst in Egypte zegt Abraham tegen zijn vrouw: Ik weet dat je een mooie vrouw bent! Om te voorkomen dat de farao mij doodt, zodat hij jou kan inlijven in zijn harem, is het beter dat je zegt dat je mijn zus bent. Dat is geen fraaie move van Abraham, want daardoor komt Sarah, de vrouw van Abraham, juíst in het harem van de farao terecht. In de tekst wordt ook subtiel aangeven dat de zwakken moeten lijden onder het falen van de helden.

In de kronieken van het zuidelijke deel van Israël staat vaak over een koning: hij deed wat goed was in de ogen van God, maar niet zo goed als koning David. Dan zou je zeggen dan moet David wel een geweldig goed persoon zijn geweest, die echt geliefd was door God. Maar David komt steeds naar voren als iemand met zwakheden. Op seksueel gebied. Hij kan niet van de vrouwen afblijven. Hij is ook wraakzuchtig. Nog voor hij koning is, zwerft hij rond als een soort roverhoofdman. Dan wordt hij op een gegeven ogenblik zwaar beledigd door een zwaar dronken landeigenaar Nabot. David heeft namelijk als een soort maffiabaas op de schapen gepast. Net als de maffia: niet gevraagd, wel opgepast, en vervolgens het loon vragen. Niet dat het slim is om als je dronken bent, iemand met 600 soldaten te gaan beledigen. Lang verhaal kort: David trekt woedend, wraakzuchtig op naar die Nabot, en hij zegt daarbij: God mag mij doden als ik morgen om deze tijd, niet alles wat mannelijk is heb gedood. En dan komt de vrouw van Nabot, en die weet hem uit dat plan te praten. Dan zie hoe kort het lontje van David was. En dat blijft tot zijn sterfbed het geval. Zijn laatste woorden zijn woorden van wraak. Bij David zie je hoogte en diepte punten. Je ziet ook prachtige verhalen, waarin hij grootse dingen doet, en edelmoedig is. David is een man die bergen kon beklimmen, en over een stoeprand struikelde.

De zoon van David, Salomo, was iemand die bekend stond om zijn wijsheid in de rechtspraak, maar in zijn persoonlijk leven er nog al een potje van maakte.

Dat de personen in de bijbel zo als mens worden beschreven is uniek. Zeker als je het vergelijkt met de hagiografische literatuur van de koningen om Israël heen in die tijd. In de moderne literatuur is het een stuk normaler dat helden ook kunnen vallen. Maar voor de tijd van de bijbel, en zelfs daarna is het uniek dat helden zoals David ook hun minder goede kanten hadden.

In de bijbel worden mensen beschreven zoals ze zijn. En in tegenstelling tot sommige moderne literatuur, is dat zonder de hoop te verliezen. Al deze complexe levens zijn levens waarbij schoonheid en lelijkheid elkaar afwisselen. En waarbij genade en zonde elkaar afwisselen.

Of zoals we in Galaten 2:11 lazen dat Paulus openlijk tegen Petrus inging. Petrus die normaal met de joden en niet-joden samen at. Samen eten was in die cultuur meer dan even gezellig samen zijn. Het was ook een soort uiting om aan te geven dat je bij die personen hoorde. Als op een zeker ogenblik er een delegatie uit Jeruzalem komt om te kijken, weigert Petrus in eens te eten met deze niet-joden. Daar heeft Paulus veel kritiek op. Hij noemt hem schijnheilig! Maar tegelijk noemt hij Petrus (en een paar anderen) de steunpilaren van de gemeente. Dat Paulus kritiek heeft op Petrus betekend niet dat hij klaar met hem is. Het betekend niet dat Paulus, Petrus geen gewaardeerde collega vind. Hij blijft zijn broeder en vriend.

Dat heeft te maken met dat de bijbel een boek van hoop is. Dan is iemand niet kapot en af, als je hem zijn fouten hebt aangewezen. Dan stort het leven niet in als je laat zien dat iemand feilbaar is, zoals we allemaal zijn. Pas als je de hoop gaat verliezen dat het verhaal goed afloopt dan heb je ook de behoefte om de fouten te verdoezelen.