Iedere dag geboeid Beloften van heil voor Sion

  1. Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt, breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
  2. Vergroot de plaats voor uw tent, laat men uw tentkleden wijd uitspannen, wees niet terughoudend, verleng uw touwen, sla uw pinnen vast.
  3. Want u zult zich rechts en links uitbreiden, uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen en de verlaten steden bevolken.
  4. Wees niet bevreesd, want u zult niet beschaamd worden; word niet rood van schaamte, want u zult niet te schande worden. Ja, u zult de schande van uw jeugd vergeten, en niet meer denken aan de smaad van uw weduwschap.
  5. Want uw Maker is uw Man, HEERE van de legermachten is Zijn Naam, en uw Verlosser is de Heilige van Israël, de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
  6. Want als een verlaten vrouw, een bedroefde van geest, roept de HEERE u, de vrouw van de jeugd, die afgewezen was, zegt uw God.
  7. Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
  8. In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u Mijn aangezicht een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.
  9. Want dit zal voor Mij zijn als bij de wateren van Noach, toen Ik zwoer dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen; zo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen zal en u niet meer bestraffen zal.
  10. Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.

Een stukje uit het het boek: Iedere dag geboeid. Een boek waarin christenen, die vervolgd worden om hun geloof, schrijven over hoe het is om Christus te volgen.

De Almachtige God geeft ons niet alleen de kracht om met Hem te wandelen, met Hem verder te gaan of met Hem op te trekken, maar ook om met Hem het dal in te gaan waar de strijd woedt.

Misschien moet ik het zo zeggen: ik mag me naar Hem uitstrekken. Hij zal zich naar mij toe buigen. Ik mag in hemelse gewesten op zijn “brede schouders” zitten. Hij zal bij me neerknielen, in het dal waar de strijd woedt en mijn hand vasthouden. Hoe meer ik Hem daarboven zoek, des te meer ik zijn hulp hier beneden ervaar.

Al wankelen de bergen van het leven; al is het nog zo pijnlijk van mijn geliefd gezin gescheiden te zijn; al is de cel in de gevangenis nog zo donker… zijn niet aflatende liefde voor mij zal nooit wankelen, en mijn liefde voor Hem wordt elke dag sterker.

Gisterochtend hoorde ik een preek, en de dominee sloot af met een voorbeeld: Henri Nouwen, die verteld in een van zijn boeken het volgende verhaal:

Toen ik dit circus voor het eerst in Freiburg zag, raakte ik zo onder de indruk van hun luchtacrobatiek dat ik me in de pauze aan hen voorstelde als een van hun grote fans. Ze nodigden mij uit bij hun training, gaven me vrijkaartjes, boden mij een maaltijd aan en stelden voor dat ik in de nabije toekomst een week met ze mee zou reizen. Ik zei ja… en we werden goede vrienden.

Op een dag zat ik met Rodleigh, de leider van de groep, in de caravan te praten. Hij zei; “Als ik spring, moet ik absoluut vertrouwen op degene die mij op moet vangen. Jij denkt misschien, net als de meeste toeschouwers, dat ik de grote ster ben van de trapeze. Maar de echte ster is Joe die me vangt. Hij moet me op exact het juiste moment uit de lucht plukken als ik mijn verre sprong naar hem maak”… “Hoe lukt dat ?” vroeg ik. “Wel”, zei Rodleigh, “het geheim is dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe. Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij me vangt en me veilig thuisbrengt.” “Dus jij doet niets ?” zei ik verbaasd. “Niets”, herhaalde Rodleigh. “Het ergste wat een springer kan doen, is proberen de vanger te vangen. Het is niet de bedoeling dat ik Joe vang. Joe moet mij vangen. Als ik Joe’s polsen zou vastgrijpen, zou ik ze kunnen breken of hij zou de mijne kunnen breken. Dat zou het einde betekenen voor ons beiden! Een springer moet springen en een vanger moet vangen, en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn”.